John Welwood over de spirituele bypass | Vertaling Karin Leeuwenhoek (Deel 2)

Karin Leeuwenhoek Loopgenoot Wandelcoaching Amsterdam Spirituele Spiritual Bypass

Deel 2 van de vertaling die ik maakte van het interview met John Welwood dat in 2011 werd gepubliceerd in Tricycle Magazine (lees Deel 1 hier). Dit beroemde interview heeft als titel Human Nature, Buddha Nature, maar gaat specifiek over het fenomeen van de ‘spirituele bypass’.

Welwood bedacht deze term voor het gebruiken van spirituele ideeën en praktijken om onze emotionele issues te omzeilen en zo boven de rauwe en rommelige kant van ons mens-zijn uit te stijgen vóórdat we die echt aangekeken hebben en er vrede mee hebben gesloten. Hij kwam die neiging tot spiritual bypassing tegen in de boeddhistische gemeenschap waar hij deel van uitmaakte en ook in zichzelf.

John Welwood vertelt verder over de menselijke natuur en de boeddhanatuur:

De grote paradox van zowel mens zijn als boeddha zijn, is dat we zowel afhankelijk als onafhankelijk zijn. Een deel van ons is voor alles volledig afhankelijk van mensen, van eten en kleding tot liefde, verbondenheid, inspiratie en hulp bij onze ontwikkeling. Ook al is onze boeddhanatuur niet afhankelijk – want dat is de ‘absolute waarheid’ –, onze menselijke belichaming is dat wel; dat is de ‘relatieve waarheid’. (cf. de boeddhistische leer van de twee waarheden: de relatieve (aardse, menselijke, tijdelijke) waarheid en de absolute, ultieme waarheid – KL)

Dus we kunnen zowel gehecht als onthecht zijn?

Ja. Onthechting leert ons iets over onze ultieme aard. Maar om uit te groeien tot een gezond mens, hebben we een basis van veilige hechting nodig in de positieve, psychologische zin. Dat betekent: hechte emotionele banden hebben met andere mensen, wat bevorderlijk is voor verbondenheid, geaarde belichaming en welzijn. Zoals de natuuronderzoeker John Muir schreef: ‘Wanneer we iets op zichzelf proberen te onderscheiden, blijkt het met duizend onzichtbare en onbreekbare koorden vast te zitten aan al het andere in het universum.’ Op dezelfde manier kan de hand niet functioneren tenzij hij vastzit aan de arm – dat is gehechtheid in de positieve zin. We zijn onderling verbonden, verweven en onderling afhankelijk van alles in het universum. Op menselijk niveau kunnen we niet anders dan ons enigszins gehecht te voelen aan mensen die dicht bij ons staan.

Dus het is normaal om diep te rouwen als we iemand verliezen die ons dierbaar is. Ik heb gehoord dat toen Chögyam Trungpa Rinpoche (Welwoods grote boeddhistische leermeester – KL) de herdenkingsdienst voor zijn dierbare vriend en collega Shunryu Suzuki bijwoonde, hij schreeuwde van verdriet en openlijk huilde. Hij erkende zijn nauwe banden met Suzuki Roshi en het was prachtig dat hij zijn gevoelens zo kon laten zien.

Omdat we een bepaalde vorm van gehechtheid aan anderen niet kunnen vermijden, is de vraag: ‘is dit gezonde of ongezonde hechting?’ Ongezond in psychologische termen is een onveilige hechting, want die leidt ofwel tot angst voor nauw persoonlijk contact of tot een obsessie ermee. Mensen die opgroeien met een veilige hechting zijn meer vertrouwend, waardoor ze interessant genoeg veel minder geneigd zijn om zich aan anderen vast te klampen. Misschien kunnen we dat wel ‘onthechte hechting’ noemen.

Helaas kunnen we onthechting gemakkelijk verwarren met het vermijden van hechting. Het vermijden van hechting is echter geen vrijheid van hechting. Het is een andere vorm van vastklampen: vastklampen aan de ontkenning van je menselijke hechtingsbehoeften, vanuit een wantrouwen dat liefde betrouwbaar is.

Dus het vermijden van hechtingsbehoeften is een andere vorm van gehechtheid?

Ja. De hechtingstheorie binnen de ontwikkelingspsychologie onderscheidt een vorm van onveilige hechting die een ‘vermijdende hechtingsstijl’ wordt genoemd. De vermijdende hechtingsstijl ontstaat bij kinderen van wie de ouders consequent emotioneel afwezig zijn. Deze kinderen leren voor zichzelf te zorgen en niets van anderen nodig te hebben. Dat is hun aanpassings-/overlevingsstrategie – en op zich een slimme en nuttige. Want als je behoeften niet vervuld worden, is het te pijnlijk om ze te blijven voelen. Je kunt je er maar beter van afwenden en zelf een op zichzelf staande compenserende identiteit ontwikkelen.

Wat gebeurt er in een sanghagemeenschap als veel leden een vermijdende hechtingsstijl hebben?

Vermijdende types hebben de neiging om de behoeften van anderen af ​​te wijzen omdat ze hun eigen behoeften afwijzen.

Zou dit een verklaring kunnen zijn voor een deel van de relationele problemen in onze sangha‘s?

Absoluut. Het zorgt ervoor dat mensen zich gerechtvaardigd voelen om elkaars gevoelens en behoeften niet te respecteren. Het is niet verrassend dat ‘behoefte’ vaak een soort vies woord is in spirituele gemeenschappen.

Mensen voelen zich niet vrij om te zeggen wat ze willen?

Juist. Je zegt niet wat je wilt omdat je niet als behoeftig gezien wilt worden. Je probeert onthecht te zijn. Maar dat is als een onrijpe vrucht die probeert zich los te maken van de tak in plaats van te ontvangen wat hij nodig heeft zodat hij op een natuurlijke manier kan rijpen en loslaten. Als onze spirituele beoefening ver vooruitloopt op onze menselijke ontwikkeling, rijpen we niet volledig. Onze beoefening is misschien wel rijp, maar ons leven niet. En er is een bepaald punt waarop die kloof heel pijnlijk wordt.

Dus eigenlijk zegt u dat spiritueel bypassen niet alleen onze dharmabeoefening corrumpeert, maar ook onze rijping tot hele en geïntegreerde mensen tegenhoudt?

Ja. Een manier waarop het de ontwikkeling tegenhoudt, is door van spirituele leringen voorschriften te maken wat je zou moeten doen, hoe je zou moeten denken, hoe je zou moeten spreken, hoe je je zou moeten voelen. Dan wordt onze spirituele praktijk overgenomen door een soort spiritueel superego; de stem die ‘zou moeten’ in ons oor fluistert. Dat is een groot obstakel voor rijping, omdat het ons gevoel van tekortschieten voedt.

Een Indiase leraar wiens werk ik bewonder, Swami Prajnanpada, zei dat ‘idealisme een daad van geweld is’. Proberen te leven naar een ideaal in plaats van authentiek te zijn waar je bent, kan een vorm van innerlijk geweld worden als dit jou in tweeën splitst en het de ene kant tegen de andere opzet. Wanneer we onze spirituele praktijken gebruiken om ‘goed te zijn’ en om een ​​onderliggend gevoel van tekortkoming of onwaardigheid af te weren, dan verandert het in een soort kruistocht.

Lees verder in Deel 3

John Welwood over de spirituele bypass | Vertaling Karin Leeuwenhoek (Deel 1)

Karin Leeuwenhoek Loopgenoot Wandelcoaching Amsterdam Spirituele Spiritual Bypass

Het onderstaande artikel is de vertaling die ik maakte van het interview met John Welwood zoals dat in 2011 werd gepubliceerd in Tricycle Magazine.

John Welwood (overleden in 2019) was een pionier als het gaat om de relatie tussen westerse psychotherapie en boeddhistische beoefening. Zijn idee van spiritual bypassing oftewel de spirituele bypass – het spiritueel voorbijgaan aan onze menselijke issues – is een sleutelconcept geworden voor wie de valkuilen van spirituele beoefening wil begrijpen.

Psychotherapeut Tina Fossella (wier vragen ik hieronder zal cursiveren) besprak met Welwood hoe dit concept zich ontwikkelde nadat hij het in de jaren 80 introduceerde:

U introduceerde de term ‘spiritual bypassing’ 30 jaar geleden. Voor wie niet bekend is met het concept: kunt u uitleggen wat dit betekent?

Ik gebruikte de term ‘spiritual bypassing’ voor het eerst om een proces te beschrijven dat ik in mijn boeddhistische gemeenschap en ook in mezelf zag gebeuren. Ook al probeerden de meesten van ons oprecht aan zichzelf te werken, toch zag ik een wijdverbreide neiging om spirituele ideeën en praktijken te gebruiken om het aankijken van onopgeloste emotionele issues, psychische wonden en onafgeronde (zelf)ontwikkelingsprocessen uit de weg te gaan.

Bij een spirituele bypass gebruiken we vaak het doel van verlichting of bevrijding om boven de rauwe en rommelige kant van ons mens-zijn uit te stijgen, vóórdat we die echt helemaal aangekeken hebben en er vrede mee hebben gesloten. We kunnen ons idee van ‘absolute waarheid’ ook gebruiken om op ‘relatieve’ menselijke behoeften, gevoelens, psychologische en relationele problemen en ontwikkelingsachterstanden neer te kijken, ze weg te relativeren of te verwerpen.

Dat zie ik als een fundamenteel gevaar van het spirituele pad, in die zin dat spiritualiteit de neiging heeft om voorbij te gaan aan onze huidige karmische situatie.

Wat is het gevaar daarvan?

Proberen voorbij onze psychologische en emotionele problemen te komen door ze te omzeilen is gevaarlijk. Het veroorzaakt een ongezonde kloof tussen de boeddha en de mens in ons.

En het leidt tot een conceptueel, eenzijdig soort spiritualiteit waarbij de ene polariteit van het leven wordt verheven ten koste van de andere: absolute waarheid krijgt de voorkeur boven relatieve waarheid, het onpersoonlijke boven het persoonlijke, leegte boven vorm, transcendentie boven belichaming en onthechting boven gevoel.

Je kunt bijvoorbeeld wel proberen te onthechten door je behoefte aan liefde af te wijzen, maar dit duwt de behoefte aan liefde ondergronds. Vervolgens vindt deze waarschijnlijk op heimelijke, onbewuste en mogelijk schadelijke manieren een uitweg.

Wat interesseert u tegenwoordig het meest aan de spirituele bypass?

Hoe die uitpakt in relaties. Want dat is waar de spirituele bypass vaak de grootste schade aanricht. Als je een yogi zou zijn die jarenlang soloretraites doet in een grot, dan zal je psychische beschadiging waarschijnlijk minder opspelen omdat je focus volledig op de beoefening ligt. Maar in relaties komen onze onopgeloste psychische problemen het meest intens naar voren. Dat komt omdat deze wonden altijd relationeel zijn: ze zijn ontstaan ​​in en door onze relaties met onze vroege verzorgers.

De meest wezenlijke psychische wond, die alomtegenwoordig is in onze moderne wereld, komt doordat wij ons niet geliefd voelen of denken dat we geen liefde waard zijn zoals we zijn. Onvoldoende liefde of afstemming is schokkend en traumatisch voor het in ontwikkeling zijnde, hoogsensitieve zenuwstelsel van een kind. Het schaadt ons vermogen om onszelf te waarderen, wat ook weer de basis is voor het waarderen van anderen. Ik noem dit de ‘relationele wond’ of de ‘wond van het hart.’

Er is een hele reeks studies en onderzoeken in de westerse psychologie die laten zien hoeveel impact hechte binding en liefdevolle afstemming – wat bekend staat als ‘veilige hechting’ – hebben op elk aspect van de menselijke ontwikkeling. Veilige hechting heeft een enorm effect op veel aspecten van onze gezondheid, ons welzijn en het vermogen om effectief te functioneren in de wereld: hoe onze hersenen zich vormen, hoe goed ons hormonale en immuunsysteem functioneren, hoe we met emoties omgaan, hoe vatbaar we zijn voor depressie, hoe ons zenuwstelsel functioneert en met stress omgaat en hoe we met anderen omgaan.

De moderne cultuur en opvoeding van kinderen maakt dat de meeste mensen lijden aan symptomen van onveilige hechting. Denk aan zelfhaat, weinig contact met het lichaam, gebrek aan gronding, voortdurende onzekerheid en angst, een overactieve geest, het onvermogen tot diep vertrouwen en een diep gevoel van innerlijk tekortschieten.

Daardoor lijden de meesten van ons aan een hoge mate van vervreemding en dissociatie die men in vroeger tijden niet kende – een dissociatie van de maatschappij, gemeenschap, familie, van vorige generaties, natuur, religie, traditie, van ons lichaam, onze gevoelens en onze menselijkheid zelf.

Hoe relevant is dit voor hoe wij de dharma (=de leer van oosterse wijsheidstradities) beoefenen?

Velen van ons komen bij de dharma terecht omdat we die, gedeeltelijk althans, als een manier zien om over de pijn van onze psychologische en relationele wonden heen te komen. Maar we ontkennen de aard of omvang van deze verwondingen vaak, of zijn ons er überhaupt niet bewust van. Daardoor kan de identiteit van een ‘goede’ spirituele beoefenaar een compensatie worden voor onze onderliggende ’tekortschietende’ identiteit.

De identiteit die ons slecht doet voelen over onszelf, dat we niet goed genoeg zijn en tekortschieten, wordt toegedekt. Dan kan onze spirituele beoefening, hoe ijverig we ook ons best doen, worden gebruikt voor ontkenning en afweer. En wanneer spirituele beoefening wordt gebruikt om onze echte menselijke problemen te omzeilen, staat deze los en raakt zij niet geïntegreerd in ons algehele functioneren.

Kunt u nog wat meer voorbeelden geven van spirituele bypassing bij westerse beoefenaars?

In mijn psychotherapiepraktijk werk ik vaak met dharmastudenten die al tientallen jaren oefenen. Vaak hebben ze wel vriendelijkheid en mededogen voor anderen ontwikkeld, maar zijn ze streng voor zichzelf omdat ze niet voldoen aan hun spirituele idealen en is hun beoefening ongeïnspireerd en formeel geworden. Of het dienen van anderen is een plicht geworden of een poging om zich goed over zichzelf te voelen. En weer anderen gebruiken onbewust hun grote spiritualiteit om zich op een narcistische manier op te blazen en anderen te manipuleren.

Mensen met aanleg voor depressie, die als kind met onvoldoende liefdevolle afstemming zijn opgegroeid en moeite hebben om zichzelf te waarderen, kunnen de leer van het niet-zelf gebruiken om zich nóg minder waardevol te voelen. Ze voelen zich dan niet alleen slecht over zichzelf, maar beschouwen hun onzekerheid over of ze wel oké zijn ook nog eens als een fout – een vorm van ik-fixatie die het tegenovergestelde van de dharma is – en dat wakkert hun schaamte of schuldgevoel nóg verder aan.

Ook meditatie wordt vaak gebruikt om ongemakkelijke gevoelens en onopgeloste levenskwesties uit de weg te gaan. Voor mensen die hun persoonlijke gevoelens of wonden ontkennen en het moeilijk vinden om zich op een persoonlijke transparante manier uit te drukken, kan meditatiebeoefening hun neiging tot dissociatie en ontkoppeling versterken. Het kan voor mensen op een spiritueel pad behoorlijk bedreigend zijn om onze verwondingen, emotionele afhankelijkheid of primaire behoefte aan liefde onder ogen te moeten zien.

Ik heb vaak gezien hoe mensen onthechting gebruiken om zich af ​​te sluiten van hun menselijke en emotionele kwetsbaarheden. Het is pijnlijk om te zien hoe iemand onthecht probeert te zijn terwijl hij daaronder eigenlijk snakt naar positieve ervaringen van binding en verbinding.

Dus hoe verzoenen we dat ideaal van onthechting met de behoefte aan menselijke hechting?

Goeie vraag. We hebben een breder perspectief nodig dat twee verschillende sporen van menselijke ontwikkeling erkent en omvat. Die kunnen we ‘opgroeien én wakker worden’, ‘helen én ontwaken’ of ‘een echt menselijk persoon worden én de persoon helemaal overstijgen’ noemen. We zijn niet alleen maar mensen die leren om boeddha’s te worden, maar ook boeddha’s die ontwaken in een menselijke vorm en leren om volledig mens te worden. Deze twee sporen van ontwikkeling kunnen elkaar over en weer verrijken.

Met een perspectief dat beide ontwikkelingssporen omvat, zullen we onze ideeën over een absolute waarheid niet gebruiken om op relatieve, persoonlijke gevoelens en de behoefte aan verbinding neer te kijken. Ook al hebben persoonlijke gevoelens en behoeftes dan misschien geen solide of ultieme realiteit, het opzijschuiven ervan leidt vaak tot grote psychologische problemen.

Lees verder in Deel 2